Denken ontroert

De titel van Rutger Koplands nieuwste bundel luidt Geduldig gereedschap. Welk gereedschap is geduldig? De eerste, bij een dichtbundel voor de hand liggende, associatie is, papier. Papier is geduldig. Papier hoort tot de gereedschappen van de schrijver. Het gedicht echter, waarin de twee woorden uit de titel terugkeren, heet 'Fotograaf'.

 

            Want dit kijken is wachten en niet weten

            waarop ik wacht. Er is geen moment

            waarin dit moment zich herhaalt.

 

            Dit is het wachten en het niet weten waar

            ik ben, een plek onder de mensen

            die ik niet zal terugvinden.

 

            Ach, geduldig gereedschap, geduldige zoeker

            en sluiter, ik wacht. Ik hoor

            de klik. God, die argeloze

 

            houding, dat gebaar, die blik waarin

            ze zijn geraakt en

            zijn gebleven.

 

Het betreffende gereedschap blijkt een fototoestel, geen papier. Het toestel wordt door de fotograaf, die het hanteert, toegesproken op een toon die zweeft tussen melancholie en weemoedigheid, ''Ach''. Door de foto lijkt de fotograaf getroffen. Het moment zelf lijkt hem te zijn ontgaan. Dat is een omdraaiing van hoe ik in eerste instantie het proces van fotograferen zou beschrijven. De geduldige fotograaf kijkt en zoekt, en in het ogenblik dat hij klikt, treft hij de mensen in een houding, een blik en een gebaar die alles zeggen. In dit gedicht is de fotograaf echter de passieve factor en zijn fototoestel de actieve.

            Deze spanning tussen activiteit en passiviteit blijkt op vele momenten in het gedicht aanwezig te zijn. Al in de eerste regel herijkt de fotograaf zijn actieve ''kijken'' in een passief ''wachten''. Hij weet zelfs niet waarop hij wacht, kan het dus niet actief herkennen. In de tweede regel heeft Kopland de zin zo gebroken dat we als lezer even lezen dat er geen moment is. De fotograaf wacht op niets, dat blijkt zich zelfs niet te herhalen. Eigenlijk is het moment waar het hem om gaat altijd al voorbij. De tweede strofe herhaalt de eerste op een voor Kopland kenmerkende manier. Alleen is voor ''moment'' nu ''plek'' ingevuld. Het moment, de tijd, valt op die manier samen met de plek, de ruimte. Passief, de tijd die de mens ondergaat, en actief, de plek waarin de mens leeft en handelt, vallen zo over elkaar heen.

            In de derde strofe wordt de passiviteit van de normaal gesproken handelenden herhaald in de herhaling van het ''wachten'' en versterkt door ''horen''. Hij drukt niet af, maar hoort de klik. Daarmee contrasteert sterk de actieve elementen waarin het ''geduldig gereedschap'' wordt ontleed: ''zoeker'', en ''sluiter''. In de vierde strofe kun je ''geraakt'' zowel actief als passief lezen. De mensen zijn in die ''argeloze houding'' terechtgekomen of ze zijn getroffen door de fotograaf die dit plaatje van hen heeft geschoten, hen in dat moment gevangen. In die beide laatste werkwoorden klinken ook nog heel andere betekenissen mee. De ontroering van de fotograaf in de derde strofe lijkt gespiegeld te worden door het feit dat de mensen ''geraakt'', ontroerd, zijn. In ''gebleven'' klinkt de mislukking mee van elke fotografie, ze zijn erin gebleven. Het levende moment blijkt ook de dood.

 

Misschien lijken op het eerste gezicht dergelijke associaties – denkbeelden die je overkomen – gezocht en op die manier aan dit gedicht opgedrongen. De context van de andere gedichten in deze bundel echter zorgt er echter voor, dat je er ontvankelijk voor wordt. Steeds opnieuw blijkt Kopland op zoek naar het moment waarin, om het paradoxaal uit te drukken, het wezenlijke sprekend samenvalt met de sprakeloze aanwezigheid. Dat is een moment van vervulling, van  totaal geluk of totaal verdriet. Daar zijn geen woorden voor, omdat die momenten geen woorden kennen. Het schrijven van gedichten gebeurt na zo'n moment of ervoor. En omdat het niet herhaald kan worden, probeert Kopland op geduldig papier een soortgelijk moment te omcirkelen. Om de sprakeloosheid zichtbaar te maken. Wachtend met het gereedschap papier kan zo'n moment misschien in een gedicht plaats vinden. Op papier raken fotografie en poëzie elkaar, omdat foto en gedicht op papier zichtbaar worden.

 

Zo lijkt het of Koplands poëzie voornamelijk intellectualistisch is, dat hij denkgedichten schrijft. Afgezien daarvan dat goed geformuleerd denken zeer ontroeren kan, die indruk klopt niet. Wie het woord verdriet nodig heeft om te huilen, of het woord woede om boos te worden, moet niet bij Kopland zijn, maar bij Rawie of Enquist. Maar wie zo wil lezen dat de beweging van een tekst iets in hem of haar in beweging brengt, hoeft in Geduldig gereedschap niet tevergeefs te wachten. De ontroering kun je erna of ervoor nog vergroten door te bedenken hoe ze tot stand is gebracht. 'In de tuin' vind ik een voorbeeld van tekst die in zijn eigen beweging probeert het moment te omcirkelen waar uiteindelijk geen woorden voor zijn.

 

            Toen dat gat in de tuin was gegraven,

            die kat daar nog naast in het gras,

            maar de tijd stond niet stil, ik moest

 

            verder, maar ik die kat nog niet had

            gegrepen, in haar nekvel, zoals moet

            als een kat niet wil, komen of gaan,

 

            en ik die kat, nadat ik haar dan toch

            had gegrepen, nog niet had losgelaten,

            het gat niet dichtgegooid, aangetrapt,

 

            toen het gras nog niet weer groeide over

            die plek, alsof ik dat allemaal nooit

            had gedaan, maar die kat, dit veel te

 

            stille niet willen, wat moest ik met die

            hand van mij, met dat gat in de tuin.


Strofe vier toont dat van alles niets meer te zien is. Toch worden in de manier waarop de herinnering verteld wordt aan het begraven van een dode kat in de tuin, de blokkades voelbaar gemaakt. De zin begint, breekt af, roept een tegenzin op, herneemt zich. De ik heeft er verlamd gestaan. Alle handelingen die hij heeft verricht, staan niet beschreven. Ze laten als het ware gaten in de tekst. Hij wist toen niet wat met zijn hand en met het gat in de tuin te doen, dat is de hoofdmededeling die in de tekst wordt gedaan. Dat weet de tekst op zijn eigen wijze niet. Het graven staat er niet in, het dichtgooien ook niet; alleen het gat, en het gras dat erover gegroeid alsof er niets is gebeurd. Hij heeft de kat niet in de hand en een moment later wel. Het grijpen-zelf is verdwenen, evenals het loslaten boven het gat. Over blijven de verlamde hand en het duistere verdwijnpunt, het gat.

            Wie op deze manier kan schrijven raakt aan het onzegbare.

 

gepubliceerd in 1993

 

 

terug