Psalmeigen

 

Vorig jaar bracht de redactie van het literaire blad Parmentier een themanummer uit onder de titel 'Nieuwe psalmen'. Een aantal dichters schreef op verzoek een of meer psalmen naar aanleiding van een van de oude psalmen. Een leuk nummer is het. Alleen de parodiŽrende geschriften maken een belegen indruk.

    Een van die nieuwe psalmen kwam ik onlangs in een ander verband tegen, namelijk in de jongste bundel van Nachoem M. Wijnberg. Zijn versie van psalm 22 is in het tijdschrift wat bleek. Nu, in bundel Geschenken, blijkt het een pregnant lied. Hoe komt dat?

    Een voor de hand liggend antwoord op die vraag, als dat hij het herschrijvend bewerkt zou hebben,  klopt niet. Wijnberg heeft letter noch leesteken aan zijn gedicht veranderd. Ik vermoed dat het aan de context ligt, waarin zijn psalm wordt gepresenteerd. In Parmentier heeft elk van de dichters een psalm waar hij of zij door getroffen was, genomen en door de machine van eigen taalbehandeling en visie gehaald. Zo ontstond een disparate verzameling. Terwijl elke dichter voor zich in een in zuivere dialoog met de Bijbelteksten trad, ontstond een kakofonie.

    Nu dit gedicht van Wijnberg is opgenomen als een van veertig andere gedichten van dezelfde dichter maakt het deel uit van een coherente verzameling. De uitwisseling met de Bijbelse psalm 22 treedt veel scherper aan het licht. Hij blijkt gedragen te zijn door schrijvende beweging als andere gedichten van dezelfde dichter. Wijnberg schrijft altijd in het bewustzijn van andere oudere teksten, vaak ook uit Tenach. Hij is geen christelijk dichter.

    De verplaatsing van het gedicht naar een eigen bundel maakt een noodzakelijk feilen van de opzet van Parmentier zichtbaar - of moet je zeggen, maakt zowel een conditie zichtbaar die voor de psalmen uit de schrift geldt, als een conditie van onze tijd. In de schrift is een collectieve stem en een eenheid van beleven en belijden in een chaotische wereld de basis van alle onderscheiden psalmen. In Parmentier zijn alle nieuwe psalmen bij elkaar de uitdrukking van een versplintering. Teveel talen bij elkaar.

    Als je je dat realiseert, is het betekenisvol dat Kees Fens in zijn inleiding slechts spreekt over de honderdvijftig Bijbelse psalmen, niet over al die nieuwe die hij moet inleiden. Hij citeert een kwalificatie ervan als ''de lyrische samenvatting van het Oude Testament''. Voorts stelt hij: ''De psalmen laten altijd verruiming toe: van het individu naar een gemeenschap. De stem is ook de stem van velen tegelijk. De lyriek is ook gemeenschapszang.'' In Parmentier vindt de omgekeerde beweging plaats. Al die vele stemmen ontnemen aan de gemeenschapszang die hun basis vormde de dragende melodie. Misschien dat Fens zijn slotzinnen daarom schreef met het oog op de redactie die hem uitnodigde de inleiding te schrijven: ''De psalmen maken klein. Ook door hun literaire grootheid. Wie die niet ziet of die honderdvijftig gedichten in de postchristelijke leegte wenst te gooien, zou misschien een literaire vervloeking verdienen. En dat tot in het derde geslacht!'' De literaire grootheid was voor de redactie een aanleiding, de ''postchristelijke leegte'' maakte zij (onbedoeld?) zichtbaar.

 

Bij Nachoem M. Wijnberg is geen sprake van een ''postchristelijke'' leegte. De leegte die uit zijn werk spreekt vindt eerder zijn oorsprong in hoe in de christelijk Germaanse geschiedenis met de joden is omgesprongen. Zijn versie van psalm 22 past bij zijn overige poŽzie. Wie erdoor geÔntrigeerd raakt, mag van dat overige eveneens iets verwachten.

 

    Psalm 22

 

    Luister.

    De woorden die ik uitschreeuw

 

    als

 

    een kudde,

    het veld plattrappend,

    en er is geen ander veld.

 

    Er is een verdrinkend paard onderaan een waterval,

    er is bloed over de helft van mijn gezicht.

 

    Leidt het je niet af naar mij te luisteren

    van je zeker en voortdurend verlies?

 

    Maar ik houd een oog open voor jou

    zodat je daardoor kan kijken

    en nog eens kijken en een antwoord kan bedenken

    en weer willen terugnemen als een onbedoeld maar losgelaten offer.

 

    Zoals zeggen: ik wil je niet

    verliezen.

  

Op enkele verschillen met de grondtekst wil ik wijzen, niet om tot een afgerond oordeel te komen.

    ''en er is geen ander veld'', door dat focus heb ik het gedicht benaderd. Of klacht, of smeekbede, of wanhoopsschreeuw, of lofzang, of woedekreet, alle psalmen horen op ťťn veld, zijn op ťťn veld te beluisteren.

    Psalm 22 in de versie van David begint met de bekende woorden ''Mijn God, Mijn God. Waarom hebt gij mij verlaten, verre zijnde van mijn verlossing, van de woorden mijns brullens?'' Wijnberg heeft de grondstructuur gehandhaafd, maar daarbij wel een onzekerheid ingebracht. Net als de Davidtekst gaat het om een aanroeping, een brullen in nood. Alleen het woord ''God'' valt niet. Is degene die moet luisteren in zijn tekst God? Het ontbreken van een hoofdletter hoeft niet als bewijs voor het ontbreken van God in de aanroeping te dienen.

Steeds als ik iets over de regels van deze psalm wil opschrijven, krijg ik het beeld voor ogen van Jezus aan het kruis. In mijn traditie is dit het Golgothapsalm, Christus in de uiterst godverlatenheid.  Wijnberg heeft alle formuleringen en beelden die in het evangelie zijn geciteerd, verwijderd. Voor ''verlaten'' lijkt hij ''verliezen'' en ''losgelaten'' te gebruiken. Verder geen dorst, geen gedobbel om kleren, geen kring van omringende vijanden. Een effect van die ingreep is een terugnemen van de psalm uit de christelijke canon.

    Hij heeft de psalm nog verder toegesneden op de monoloog waarin de spreker God, laat ik hem verder toch God noemen, tot een antwoord wil brengen. Alle verkondigende elementen zijn weggelaten. De belofte aan de Heer hem ''in het midden der gemeente te prijzen'' is vervallen. De beschrijving van God als ''tronende op de lofzangen IsraŽls'' is ook vervallen. Er is geen gemeente. Het ene veld is verlaten. Het is ingekrompen tot de kale monoloog van een verwonde eenling die vraagt om een antwoord en band. Alleen de verwijzing naar het offer impliceert nog een gemeenschap. Daarbij moet aangetekend worden dat het offer in een vergelijking wordt genoemd. De eenzame vraagt om terugname niet omdat hij een offer is, maar om terugname omdat een ''onbedoeld maar losgelaten offer'' wordt teruggenomen. Wie wil kan in deze formulering nog een commentaar op de christelijke occupatie van de psalm lezen.

    Intrigerend vind ik de zesde strofe - ik reken het geÔsoleerde woordje als ook als strofe. Nadat de schreeuwende ik de aandacht heeft gevestigd op zijn bebloed gelaat, de zichtbare kant van zijn lijden, noodt hij God tot identificatie. Cynisch. Een oog zit dicht. Lucide. Het andere houdt hij open, zodat de ander erdoor kan kijken. Wat zou hij zien? Het platgetrapte veld, het verdrinkende paard, zijn eigen zwijgen en zijn eigen afwezigheid. God, ik noem de afwezige tegenover hier zo, wordt genood zijn eigen afwezigheid onder ogen te zien en er een antwoord op te geven.

    In enjambement, het verdelen van een zin over twee versregels, heb ik voor het eerst de kracht van poŽzie ervaren. In dit psalm treft de laatste strofe mij met dat middel. Met de regelwending slaat een soeverein cynisme dat de situatie van verlorenheid scherp benoemt - jij wil me niet - om in een bede om troostende aanwezigheid: zeg dat je me niet wilt verliezen. Met het noden van God door dat ene oog naar zichzelf te kijken wordt daarmee geÔmpliceerd: je zou jezelf verliezen.

 

 

 

gepubliceerd 1996


 

naar de bibliografie