Kaalslag
Al de eerste blik in de bundel Kaalslag van Ellen Warmond (1930) overtuigt van de doeltreffendheid van de titel. De gedichten zelf zijn door de dichter kaal geslagen. De meeste van de gerekte, smalle gedichten tellen niet meer dan enkele woorden per regel. Soms staat er zelfs niet meer dan één woord. Het laatste gedicht van de bundel, een van de beide titelgedichten, eindigt met vier regels die de kaalslag lijken te voltooien: ,,leeg en kaal / alleen met taal // geen ander wapen tegen dit / dan blind en wit.'' Alleen de punt verzet zich nog. Met hem verhindert de dichter het overlopen van het woord wit in het wit van die laatste bedrukte bladzijde en de drie lege bladzijden die daarna nog volgen tot het witte omslag.
Het merendeel van de gedichten in Kaalslag hebben het ouder worden als onderwerp. Afwisselend cynisch, radeloos en soeverein, formuleert Ellen Warmond de effecten van het tijdsverloop op een mensenleven. Soms beschouwt ze het leven als iets onveranderlijks. Zoals het is nu het einde nadert, was het ook aan het begin. Het enige wat de tijd eraan heeft toegevoegd, is het verlies aan hoop. Op andere momenten staat een van de vele soorten verlies centraal: verlies van illusies, verlies van vrienden, familie, verlies van lichaamsvermogens, van bewegingsvrijheid. In weer andere gedichten gaat het over wat blijft, en zelfs in kracht toeneemt: de nacht die zich nauwelijks meer van de dag onderscheidt, dromen, de eenzaamheid, de angst, de wrevel over de doden en levenden die verdwijnen. 'Ad fundum' heet het volgende gedicht:
Heerschappij van afscheid
binnen en buiten het zicht
barre geboorte van natijd
de leegte krijgt een gewicht.
Soeverein wordt Warmond bijvoorbeeld in het gedicht 'Project'. Die soevereiniteit betekent niet dat zij het verloop van haar levenstijd en de effecten van vernietiging, vereenzaming onberoerd over zich heen laat gaan. Ze formuleert een leerprogramma dat haaks komt te staan op een bekend cliché. Als mensen, in hun vrije tijd en wat is ouder worden anders dan leven in vrije tijd, slaaf worden van hun desinteresses ondernemen zij activiteiten die zij samenvatten met de term: de tijd doden. In tegenstelling wat de uitdrukking zegt als je hem letterlijk neemt, geef je je met het doodslaan van de tijd juist over aan zijn verwoestende werking. Je pleegt zelf de kaalslag/doodslag die de tijd op jou pleegt. Warmond dwingt zichzelf tot een omgekeerde houding. Dat ze zichzelf in de eerste persoon meervoud toespreekt, zoals ook Gerrit Kouwenaar pleegt te doen, mag de lezer als uitnodiging horen:
men (moet) herfstiger leren denken
geen milde oude worden
niet volstaan met voortbestaan
in eigen afgedwongen orde
de tijd levendslaan.
De eerste ''eigen afgedwongen orde'' waaraan men bij een dichter denkt is die van haar gedichten. Schrijvend slaat zij de tijd met stukken. Ze zet hem stil. En in de stilstaande tijd valt te leven.
Vormen de gedichten de eerste zelf op de moordende tijd afgedwongen orde, met haar laatste gedicht van Kaalslag brengt Warmond nog andere, voorzichtiger te formuleren betekenissen van het levendslaan van de tijd aan de oppervlakte:
Braakliggend echoland
ooit groeiplaats van de stemmen
aan eigen stem verwant
de laatste toon die zuiver klonk
door niemand meer gedeeld
als dromen van een schip dat zonk
(je hebt het je verbeeld)
de kracht die dat behouden wil
verstikt in stilte
in groter wordende leegte
in een verschroeiende kilte
door levenden en doden
verraden
moet men zich laden
geen terugblik op een vergezicht
men vouwt zich stemloos dicht
leeg en kaal
alleen met taal
geen ander wapen tegen dit
dan blind en wit.
Met het echoland lijkt Warmond haar eigen dichterschap aan te duiden. Dichten is het op eigen wijze echoën van leef- en leeservaringen. Dat echoland is braak komen liggen vanwege het ouder worden van de dichter.
Curieus is het einde van het gedicht. De toenemende leegte is beschreven, het mislukken van de droom die een wensdroom bleek (zou het de droom zijn geweest dat het dodenschip van Charon zonk zodat het leven bestendigd zou zijn?), de verstilling, de verkilling, en de vereenzaming. Prachtig af was het gedicht geweest, als het eindigde met de regel: ,,men vouwt zich stemloos dicht''. Ook dan zou het wit van deze bladzijde en van de bladzijden daarna, sprekend geweest zijn.
Dat roept de vraag op naar de mogelijke betekenis van die vier regels die Ellen Warmond toevoegt aan dat bijna verzoenende slot, dat de verstomming van het ''echoland'' beschrijft. Ik was geneigd de regel te lezen als een beschrijving een zelfbewust, vredig afsluiten het dichterschap en misschien zelfs van het leven. De vierregelige toevoeging gaat voorbij aan het zwijgen dat deze regel brengt.
Na de kaalslag van de tijd op haar leven, is de dichter alleen overgebleven met de taal. De tautologie ''leeg en kaal'' wekt de suggestie dat er zelfs daaromheen geen ruimte meer is. Als ''dit'' in de voorlaatste regel naar die desolate situatie verwijst, wat zouden dan die kwalificaties van het wapen betekenen, dat als enige daartegen gericht kan worden? Is het de beschrijving van een oude mens die niet meer zien kan en wit van haren is? Of schuilt in ''blind'' de duisternis, die verwant is aan de duisternis van de dood; en is wit dan toch nog een herformulering van het zwijgen van de dichter, voorbij het zwijgen van het stemloze dat ik dacht het einde van het gedicht te zijn?
Dan vormen de laatste vier regels een echo van de regel ''men vouwt zich stemloos dicht''. Dan slaat Ellen Warmond haar tijd nog steeds levend, al zou niemand meer luisteren. Zij blijft overeind in haar ontluistering, die het gevolg is van de kaalslag van de tijd. Dat lukt haar door zelf de taal kaal te slaan. Dan is de punt tussen het woord wit en het wit van de pagina de bevestiging dat Warmond zelfs uit leegte en kaalheid een zuivere toon kan slaan, die ze laat duren zolang als ze hoort.
gepubliceerd 1999